De stadsgezichtschilder Cornelis Springer

Cornelis Springer (1817-1891) werd geboren te Amsterdam. Hij was afkomstig uit een familie van meester-timmerlieden en aannemers. Zijn moeder was Maria Elisabeth Doetzen. Zijn oudere broers Willem en Hendrik waren beide architect. Cornelis, de vierde zoon, was bestemd om huisschilder te worden en werd bij een huisschilder in de leer gedaan. Hij bleek echter over zoveel artistiek talent te beschikken dat hij naar de Stadsteekenschool mocht. In de avonduren kreeg hij les in bouwkundig tekenen van zijn oudere broer Hendrik.

Zelfportret

Het talent van Springer werd al vroegtijdig herkend. Toen hij nog maar 17 jaar oud was werd een landschapsstudie van zijn hand gekozen om te worden geëxposeerd op de in Amsterdam gehouden Tentoonstelling van Werken van Levende Meesters. In 1835 ging hij in de leer bij stadsgezichtschilder Kasparus Karsen en maakte op diens advies verschillende studiereizen naar België, Duitsland en Frankrijk. Daar vond hij een schat aan onderwerpen en motieven: rijkversierde monumentale panden, gotische kathedralen, historische stadskernen en indrukwekkende marktpleinen, zoals bijvoorbeeld Het stadhuis te Leiden (1870).

Het stadhuis te Leiden (1870)

Aanvankelijk schilderde Springer geheel of gedeeltelijk gefantaseerde stadsgezichten. Maar vanaf 1855 legde hij zich meer toe op het schilderen van topografische voorstellingen. Overigens kon hij het niet laten om af en toe een storend element in de compositie te veranderen of weg te laten. Deze wijzigingen waren echter zodanig, dat ze meestal niet opvielen. Bovendien was dit onder kunstschilders uit die tijd zeer gebruikelijk. Behalve in Amsterdam en omgeving vond hij veel inspiratie in andere delen van het land. Met name de Hanzesteden tussen de Zuiderzee en de IJssel heeft hij vaak geschilderd, met plaatsen als Deventer, Hattem, Harderwijk, Enkhuizen, Zwolle en Kampen.

De Doelenkade te Hoorn (1875)

Bijzonder aan de schilderijen van Cornelis Springer is het feit dat de afzonderlijke architectonische en bouwtechnische elementen vaak duidelijk te herkennen zijn. Men kan letterlijk elke baksteen zien zitten. Niet voor niets wordt de schilder hierom geroemd. Maar het is vooral door de combinatie van aandacht voor architectuur en de authentieke sfeer, dat Springers werk zo gewaardeerd wordt. Springer stoffeerde zijn werken met meer figuren dan zijn tijdgenoten, waardoor zijn straten een levendiger karakter kregen, zoals het schilderij van De Doelenkade te Hoorn (1875). Bovendien schonk hij altijd veel aandacht aan de lichtval. Vooral in zijn latere werken legt Springer steeds meer nadruk op het doen en laten van de stadsbewoners. Opmerkelijk is vooral dat hij net zoveel talent aan de dag legde voor het schilderen van figuren en dieren als voor landschappelijke elementen of gebouwen. Kijk hieronder naar Gezicht in de Westerstraat te Enkhuyzen (1875).

Gezicht in de Westerstraat te Enkhuyzen (1875)

Het is wellicht om deze reden dat Springer tot de grootste schilders van de Nederlandse Romantiek wordt gerekend. Reeds tijdens zijn leven was hij een hoog gewaardeerde schilder, die een groot aanzien genoot in binnen- en buitenland. Ook was hij voorzitter van het befaamde kunstenenaarsgenootschap Arti et Amicitiae. En in 1878 werd Cornelis Springer samen met Jozeph Israëls door het ministerie van Binnenlandse Zaken zelfs tot buitengewoon adviseurs benoemd om mee te praten over de plannen voor het nieuwe Rijksmuseum. Ruim honderd jaar na zijn dood behoort Cornelis Springer tot een van de hoogste gewaardeerde kunstenaars uit Nederlandse Romantische School. Zijn werk is in bijna alle Nederlandse musea vertegenwoordigd, maar is ook bij particuliere verzamelaars uit alle delen van de wereld, veel gevraagd. Hij heeft ongeveer 650 werken nagelaten. Een hiervan is onderstaand Straatje in Alkmaar (1872).

Straatje te Alkmaar (1872)

Op 20 februari 1891 is Cornelis Springer op 73-jarige leeftijd in Hilversum overleden. Hij bevond zich toen in een welgestelde positie.

Mary van Loon